Coffee Talks met Bart Van den Bergh

De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten


Als dé belangrijkste gerechtskost is de rechtsplegingsvergoeding jammer genoeg onvoldoende duidelijk omschreven in het Gerechtelijk Wetboek. Door de stiefmoederlijke behandeling van het topic staan nog te weinig mensen, rechtspractici en cliënten, stil bij de immense impact ervan. Wie een worst-case scenario doormaakt, hangt een totaalbedrag van maximum 144.000 euro boven het hoofd. Om die reden werpt co-auteur Bart Van den Bergh in het boek Wie zal dat betalen? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed dan ook graag zijn licht op de complexiteit en dynamiek van deze gerechtskosten.

 

Wat is de rechtsplegingsvergoeding?

Bart Van den Bergh: De rechtsplegingsvergoeding is een onderdeel van de grote cluster gerechtskosten, zoals bijvoorbeeld de kosten van rolstelling of de kosten van betekening door een gerechtsdeurwaarder. Het is zonder enige twijfel dé belangrijkste gerechtskost op financieel vlak. Niet veel mensen, ook niet de rechtspractici, staan erbij stil dat de rechtsplegingsvergoeding in een worst-case scenario per aanleg tot wel 72.000 euro kan bedragen. Voor de in geld waardeerbare vorderingen bedraagt het maximumbedrag 36.000 euro. Indien er meerdere tegenpartijen in het gelijk gesteld zijn, dan mag de rechtsplegingsvergoeding het dubbele van het maximumbedrag bedragen, wat komt op 72.000 euro per aanleg. Als er dan ook nog eens hoger beroep wordt aangetekend, dan komen we met eenvoudige wiskunde op een totaalbedrag van 144.000 euro. Dit is een ongelooflijk kapitaal, terwijl een gerechtskost strikt gezien wordt beschouwd als iets dat er ‘toevallig’ nog bij komt kijken. Dat is natuurlijk geen toevalligheid meer, maar een immens fortuin voor heel veel mensen.

 

 

 

Deze tweede editie biedt een volledig overzicht van alle aspecten van de rechtsplegingsvergoeding. Met o.a. een nieuw deel volledig gewijd aan de RPV in strafzaken en met bijzondere aandacht voor de RPV in bestuurszaken, tuchtzaken en het sociaal contentieux. Ook een aantal nieuwe thema’s inzake de burgerlijke rechtspleging zoals de geschillen m.b.t. gerechtsmandatarissen, onteigeningszaken, incidenten m.b.t. magistraten, afstand, proces(rechts)misbruik, enz. Daarnaast bevat dit referentiewerk ook een handig trefwoordenregister.

"Niet veel mensen, ook niet de rechtspractici, staan erbij stil dat de rechtsplegingsvergoeding in een worst-case scenario per aanleg tot wel 72.000 euro kan bedragen."

 

De rechtsplegingsvergoeding wordt volgens art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek gekenmerkt door twee fundamentele eigenschappen: het forfaitair karakter en het gelimiteerd karakter. Het forfaitair karakter wilt zeggen dat er geen discussie meer kan zijn over de concrete advocatenkost in een procedure. Het bedrag wat een partij die in het gelijk gesteld is door de rechter, en die dus per definitie recht heeft op de rechtsplegingsvergoeding, in concreto heeft moeten betalen aan zijn advocaat is hierbij irrelevant. Zo gebeurt het weleens dat een advocaat een familielid of kennis een vriendendienst doet door weinig of niets aan te rekenen voor diens diensten, maar dit heeft dus geen impact op het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Het gelimiteerd karakter, de tweede eigenschap van de rechtsplegingsvergoeding, betekent dat iemand die in het ongelijk gesteld is nooit tot een hoger bedrag kan worden veroordeeld dan het forfaitair bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Andere vormen van schade die men zou lijden binnen het proces door het verliezen van de zaak kunnen niet worden verhaald omwille van dat gelimiteerd karakter.

 

Is de rechtsplegingsvergoeding een fenomeen dat alleen advocaten en magistraten aanbelangt?

Bart Van den Bergh: De rechtsplegingsvergoeding belangt uiteraard in eerste instantie de rechtspractici aan die bezig zijn met het proces. Dit is natuurlijk de magistraat die het proces beslecht en die ook finaal moet beslissen wie de gerechtskosten moet betalen. Uiteraard belangt dit ook de advocaat aan die zijn cliënt verdedigt, conclusies schrijft en in die conclusies ook iets moet zeggen over de gerechtskost. Last but not least belangt de rechtsplegingsvergoeding nog het meest de cliënt zelf aan, want het is hij die in het geval hij in het ongelijk wordt gesteld diep in de buidel zal moeten tasten om die rechtsplegingsvergoeding te betalen. De cliënt zal, alvorens de beslissing te nemen of hij de zaak voor de rechter zal brengen, het risico moeten incalculeren dat hij die rechtsplegingsvergoeding ook zal moeten betalen.

 

"De rechtsplegingsvergoeding belangt nog het meest de cliënt aan, want het is hij die in het geval hij in het ongelijk wordt gesteld diep in de buidel zal moeten tasten om het bedrag te betalen."

 

Wat is het probleem aangaande de rechtsplegingsvergoeding?

Bart Van den Bergh: Het grote probleem met de rechtsplegingsvergoeding is dat het Gerechtelijk Wetboek de rechtsplegingsvergoeding en de materie van de gerechtskosten in het algemeen vrij stiefmoederlijk behandelt. Dat blijkt al als we het Gerechtelijk Wetboek erop naslaan en zien dat amper acht wetsartikelen van het bijna 2000 artikelen tellende Gerechtelijk Wetboek aandacht en ruimte besteden aan de materie van de gerechtskost. De beperkte wettelijke regeling rond de rechtsplegingsvergoeding kent in de praktijk zoveel meanders en toepassingsgevallen, dat we de noodzaak zagen om daar een boek met een diepgravende juridische analyse over te schrijven.

Welke lessen kunnen we trekken uit de rechtsplegingsvergoeding?

Bart Van den Bergh: We moeten af van de diepgewortelde traditie om de materie van de gerechtskosten te aanzien als iets dat er op het einde van de rit noodzakelijker wijs bij komt. De rechtsplegingsvergoeding verdient een behandeling zoals ook de grond van de betwisting alle aandacht verdient. Daarbij is het van belang te durven uitgaan van een worst-case scenario en te durven het risico incalculeren dat men de procedure verliest. Vanuit dat aspect is aandacht besteden aan de rechtsplegingsvergoeding een vorm van damage control. Wat vaak vergeten wordt, is dat het Gerechtelijk Wetboek de mogelijkheid biedt de rechter te vragen om rekening te houden met bijvoorbeeld jouw vrij penibele en precaire financiële toestand wanneer je in het ongelijk wordt gesteld. Op die manier kan de rechter een lager bedrag aan de rechtsplegingsvergoeding toekennen dan het oorspronkelijke forfaitair basisbedrag dat de wet voorziet. Andersom kan je ook bewijzen dat, als je in het gelijk wordt gesteld, het forfait dat de rechtsplegingsvergoeding voorziet op vlak van de basisbedragen een manifeste ondervergoeding is. Aangezien je zo veel tijd en energie en dus ook effectieve advocatenkosten in de verdediging hebt gestoken, zou het kennelijk onredelijk zijn om jou slechts dat basisbedrag toe te kennen. Dit moet bijna in elke zaak instinctmatig en reflexmatig het uitgangspunt zijn.

 

"De beperkte wettelijke regeling rond de rechtsplegingsvergoeding kent in de praktijk zoveel meanders en toepassingsgevallen, dat we de noodzaak zagen om daar een boek met een diepgravende juridische analyse over te schrijven."

 

Wat maakt het boek zo uniek, zo onderscheidend?

Bart Van den Bergh: Dit boek was initieel opgevat als een poging om het eerste boek van ongeveer vijf jaar geleden te updaten en te actualiseren. Al schrijvend zagen we heel snel dat het louter actualiseren lang niet voldoende was. Er is intussen zo veel te zeggen over de rechtsplegingsvergoeding dat het een eigen leven is gaan leiden waardoor het originele boek in omvang nagenoeg verdubbeld is. We zagen dat er heel veel betwisting over bestond en het toch wel nodig was om wat licht in de duisternis te scheppen met heel veel aandacht voor de rechtspraak. Toch denken we dat het opzet veel meer is dan een louter rechtspraakoverzicht. We hebben getracht de materie van de gerechtskosten te bekijken vanuit een vogelperspectief en met een helicoptervisie om zo een zekere structuur te brengen in het vaak heel moeilijk domein van de gerechtskosten. Hierbij is de specificiteit van de casus elke keer duidelijk overheersend.

 

Over de co-auteur

 


Bart Van den Bergh
is co-auteur van het gloednieuwe boek Wie zal dat betalen? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed. Naast zijn 24 jaar aan ervaring als rechtspracticus, waarvan de laatste 13 jaar als magistraat, is hij raadsheer en dienstdoend kamervoorzitter in het Hof van Beroep te Antwerpen. Bovendien heeft hij een opdracht als magistraat bij het Hof van Cassatie en vervult hij een rol als wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit Hasselt.

Ontdek Wie zal dat betalen? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed

 

Deze tweede editie biedt een volledig overzicht van alle aspecten van de rechtsplegingsvergoeding. Met o.a. een nieuw deel volledig gewijd aan de RPV in strafzaken en met bijzondere aandacht voor de RPV in bestuurszaken, tuchtzaken en het sociaal contentieux. Ook een aantal nieuwe thema’s inzake de burgerlijke rechtspleging zoals de geschillen m.b.t. gerechtsmandatarissen, onteigeningszaken, incidenten m.b.t. magistraten, afstand, proces(rechts)misbruik, enz. Daarnaast bevat dit referentiewerk ook een handig trefwoordenregister.

 

Kan item niet toevoegen aan winkelwagentje

PRIJS:
Doorgaan met winkelen